Rob de Graaf (Den Haag, 1960) ziet zijn werk als een onderzoek. Methode, middelen en (vooral) het proces van schilderen zijn voor hem belangrijk. Zijn abstracte schilderijen en werken op papier vormen de verbeelding van dit proces.
Inhoud
“Inhoudelijk word ik in mijn ‘zoektocht’ gedreven door mijn fascinatie voor tegenstellingen; denken-doen, bewust-onbewust, ratio-gevoel, man-vrouw, goed-kwaad, geometrisch-organisch, lichaam-ziel, chaos-orde. En belangrijker; hoe beïnvloeden deze tegenstellingen elkaar?
In de afgelopen jaren probeerde ik in mijn schilderijen, met behoud van de tegenstelling, synthese, eenheid en evenwicht te vinden in één beeld. Steeds keerde daarbij het thema 'chaos en orde' terug. Op een gegeven moment zag ik deze begrippen niet langer als onverenigbare uitersten, maar als twee ‘krachten’ die niet zonder elkaar kunnen. Chaos bleek voor mij geen gebrek aan orde, maar eenvoud die schuilging achter complexiteit. Chaos, de ‘prima materia’ en bron van creativiteit, is niet volledig onvoorspelbaar of ongestructureerd, maar kent zijn eigen orde en structuur. Chaos is orde vermomd als willekeur, een dynamisch proces dat gevoed door bewustzijn leidt tot ordening. Voor mij is chaos ritme.
Sinds enige jaren heb ik de idee dat tegenstellingen eigenlijk helemaal niet of nauwelijks bestaan of anders geformuleerd; dat de constante aandacht voor tegenstellingen mij slechts afhouden van de ervaring van eenheid. Alles in ons leven kan als één (niet-twee of nondualistisch) ervaren worden. Tegenstellingen beschouw ik tegenwoordig daarom als een kwestie van (selectieve) perceptie; een individuele, subjectieve ervaring van de werkelijkheid.
Het is uiteindelijk mijn referentiekader (het geheel van persoonlijke waarden, normen, kennis en ervaring) dat mijn waarneming en werkelijkheid bepaalt.
Deze gedachte heeft mijn meer recente werk beïnvloed. In mijn schilderijen tracht ik, gebruikmakend van mijn eigen (beeld)taal, nog altijd op een ‘abstracte wijze’ het ‘dynamisch evenwicht’ uit te drukken, maar ik voeg de laatste jaren ook realistische, figuratieve elementen aan mijn schilderijen toe. Daarmee experimenteer ik niet alleen met mijn eigen perceptie, maar tegelijkertijd met de perceptie van degenen die uiteindelijk mijn werk (zullen) zien. Wat ik de beschouwer eigenlijk vraag is zich hiervan bewust te worden. Wanneer je los kan laten wat perceptie aan gedachten en gevoelens heeft voortgebracht, kan een schilderij steeds op verschillende manieren beleefd worden. Zo kan mijn werk bijvoorbeeld ‘intuïtief’ waargenomen worden waarbij het gaat om de directe ervaring. Daarbij hebben gevoelens de overhand. Maar je kunt er ook ‘klassiek’ naar kijken; dat wil zeggen de onderliggende vorm van realiteit, de structuur, de wiskundige principes, etc. Op deze wijze speel ik met de grenzen tussen abstractie en figuratie. Zien, waar-nemen, ervaren en beleven, mogen los komen van mijn of jouw referentiekader. Mijn doel; niet meer oordelen of alleen tegenstellingen benoemen. Niets is namelijk wat het lijkt en alles is ‘gebeuren’. Essentie is niet te definiëren, maar -zoals de chinezen zeggen- de onzichtbare moeder van alle dingen. Rest mij slechts mijzelf te verwonderen”.
Vorm
“Ik schilder op vierkante doeken in verschillende formaten. Een vierkant geeft geen richting en focust de blik van de beschouwer. Met deze doeken nog niet opgespannen en plat op de grond schilder ik zowel spontaan als uiterst bewust, waarbij in het proces de scheiding tussen het bewuste en het onbewuste steeds meer vervaagt.
Ik werk vooral met ‘gewone’ huisschilderverf (alkydhars). Deze heeft een min of meer vaste vorm, maar stroomt en blijft vloeien ook nadat de verf is opgebracht. In tegenstelling tot gewone olieverf past zij daarom goed bij mijn manier van werken. Niet alles ligt meteen vast en ook het toeval krijgt een kans. Met alkydharsverf heb ik ook meer mogelijkheden om ook met andere hulpmiddelen dan kwasten te schilderen. Regelmatig gebruik ik bijvoorbeeld een föhn, een
verfstripper of gasbrander om de verf, nadat ik die heb opgebracht, verder te bewerken. Zo kom ik optimaal ‘in gesprek’ met de verf.
Mijn inhoudelijke noties verkennend en gebruikmakend van textuur, kleur, vorm en compositie ontwikkelde ik in de afgelopen jaren toenemende mate mijn eigen beeldtaal. Mijn schilderijen doen zo niet alleen verslag van mijn persoonlijk (werk)proces, maar zijn in toenemende mate ook in hun opbouw ‘leesbaar’.
Grove, amorfe vormen representeren bijvoorbeeld chaos, de oermaterie. De punt staat voor een gebeurtenis en een raster van punten voor interactie tussen (het geheel aan) gebeurtenissen en/of het netwerk van relaties (het relatieve). De lijn is de weg; soms recht, meestal niet. De cirkel symboliseert het universele en het vierkant en het rechte vlak staan voor confrontatie, het overnieuw beginnen. Ook kleuren kregen voor mij hun eigen betekenis. Rood symboliseert het vrouwelijke, wit het mannelijke. Paars staat voor reflectie en ingetogenheid. Mijn ‘bloemvormen’ verwijzen ten slotte naar volmaaktheid (het absolute).
In mijn beeldtaal kan echter een vorm, lijn of punt nooit op zichzelf bezien worden. Ook gaat het mij niet primair om de esthetiek van de compositie. Veel belangrijker vind ik de balans tussen de ene vorm en de andere, de wijze waarop zij zich tot elkaar verhouden en elkaar, in hun geheel, beïnvloeden”.